Edukaizen

Menu
  • Nieuws
  • Hubbard 1D
    • Part 1: 1D Hubbard model
    • Part 2: Snake layout and fSWAP
    • Part 3: Qiskit and Fire Opal
    • Part 4: 120-qubit run
    • Part 5: Time-to-answer
    • Part 6: Tensor networks
    • Part 7: Majorana propagation
    • Part 8: Heatmaps
    • Part 9: 2D Hubbard outlook
    • Part 10: Quantum computer as a lab
    • Part 11: Official Monoprop benchmark
  • Hubbard 2D
    • Part 1: 1D to 2D
    • Part 2: Cuprates
    • Part 3: 3×3
    • Part 4: Time
    • Part 5: 4×4
    • Part 6: 6×6 Fez
  • Hadron
    • Deel 1: Hadron op quantumprocessor
    • Deel 2: Quarks en confinement
    • Deel 3: SU(2) en LSH
    • Deel 4: Hamiltoniaan en circuit
    • Deel 5: Fire Opal
    • Deel 6: Klassieke simulaties
    • Deel 7: Quantumvoordeel
  • Black Hole OLE
    • Part 1: What we ran
    • Part 2: How OLE works
    • Part 3: Fire Opal and Kingston
    • Part 4: The tensor-network challenge
    • Part 5: Hawking and scrambling
    • Part 6: What the result proves
    • Part 7: Local toy model
    • Part 8: QGSS26 compatibility
  • Random Graph
    • Start here
    • Part 1: Theory
    • Part 2: Circuit
    • Part 3: Qiskit
    • Part 4: Complexity
    • Part 5: Verification
    • Part 6: Workflow
    • Part 7: Conclusion
  • QOS QML
    • Nederlands
    • English
    • Beginnershandleiding 4q
  • Advantage List
  • Floquet-Ising
    • Deel 1: Floquetfysica
    • Deel 2: Ising-cyclus
    • Deel 3: Twee-qubit toy model
    • Deel 4: Oscillatie en verstrengeling
    • Deel 5: Ruis en foutmitigatie
    • Deel 6: Naar 51 qubits
Menu

Magnetisatie, verstrengeling en de periode-vieroscillatie

Vorig deel | Seriehub | Volgend deel

Deel 4 van de reeks Floquet-Ising: van twee qubits naar prethermale oscillaties

Een quantumtoestand kan lokaal eenvoudig lijken en toch veel informatie in correlaties verbergen. Daarom volgen we in het toy model twee verschillende grootheden: magnetisatie als lokale ordeparameter en entanglemententropy als maat voor niet-lokale quantumcorrelatie.

Twee vensters op dezelfde toestand

De magnetisatie

\[
M(n)=\langle\psi_n|\frac{Z_0+Z_1}{2}|\psi_n\rangle
\]

vraagt of de spins gemiddeld nog in de oorspronkelijke Z-richting wijzen. De entropy S(n) vraagt hoeveel informatie over de ene qubit alleen toegankelijk is via de andere. Geen van beide bepaalt de volledige toestand.

Een producttoestand kan magnetisatie nul hebben zonder verstrengeld te zijn. Een Belltoestand kan eveneens magnetisatie nul hebben, maar maximaal verstrengeld zijn. De combinatie M en S is daarom informatiever dan één curve.

Het exacte toy-traject

Cycle Magnetisatie M Entropie S (bit)
0 1.000000 0.000
1 0.281041 0.093
2 -0.421446 0.793
4 0.039504 0.949
6 0.827352 0.354
8 -0.663285 0.508
10 0.510699 0.796
12 0.392479 0.785

De magnetisatie oscilleert sterk, terwijl de entropy niet eenvoudig tegengesteld meebeweegt. Dat is logisch: de fasen die toekomstige interferentie bepalen zijn niet volledig zichtbaar in M, en dezelfde lokale magnetisatie kan bij verschillende correlatiestructuren horen.

Waarom een klein gesloten systeem blijft terugkomen

Een twee-qubitsysteem heeft maar vier quasienergiemodes. De tijdreeks is een eindige som van oscillaties met frequenties die uit verschillen van Floquet-quasienergieën komen. Er is geen groot intern reservoir waarin fase-informatie onomkeerbaar lijkt te verdwijnen. Recurrences zijn dus normaal.

\[
U_F|\phi_k\rangle=e^{-i\varepsilon_k T}|\phi_k\rangle,
\qquad
M(n)=\sum_{k,l}c_{kl}
e^{-in(\varepsilon_l-\varepsilon_k)T}.
\]

Dit verklaart oscillaties in het toy model zonder prethermalisatie te hoeven aanroepen. In een groot systeem wordt het quasienergiespectrum extreem dicht en kunnen lokale observabelen schijnbaar relaxeren doordat veel frequenties defaseren.

Periode vier in de paper

De grote heavy-hexsystemen tonen na een begintransiënt een oscillatoire component met een periode van ongeveer vier cycli. Het belangrijke woord is component: de ruwe magnetisatie bevat ook een langzaam veranderende achtergrond en verval.

Een passende fit heeft bijvoorbeeld de vorm

\[
M(n)=B(n)+A e^{-n/\tau}
\cos\!\left(2\pi n/P+\phi\right),
\]

waar B(n) de niet-oscillerende achtergrond beschrijft. De periodemeting is geloofwaardig wanneer het oscillerende model een duidelijk betere likelihood of informatiecriteriumscore heeft dan een monotone fit en wanneer A statistisch van nul verschilt.

Van oscillatie naar collectieve fysica

Om te spreken over robuuste prethermale oscillaties is meer nodig dan P ongeveer vier bij één systeemgrootte:

  • de periode blijft vergelijkbaar bij grotere systemen;
  • de amplitude kan met onzekerheden worden geëxtraheerd;
  • de amplitude-scaling onderscheidt een eindige limiet van eindige-grootteverval;
  • de dynamica bouwt substantiële state- en operator-entanglement op;
  • ruis en mitigatie creëren de oscillatie niet kunstmatig;
  • klassieke methoden stemmen overeen waar zij aantoonbaar geconvergeerd zijn.

De paper combineert daarom 21- en 28-qubit exacte simulaties, grotere hardwaremetingen, verschillende geometrieën en een finite-size fit. De hardware vergroot vooral het bereik van de schaalanalyse.

Wat onze 51-qubitmeting toevoegt

In de repository is de openbare 51-qubittracker tot 16 cycli uitgevoerd met 512 shots per meetarm. De ruwe en lokaal M3-gecorrigeerde trajecten bevatten een sterke oscillatoire fit rond een periode van vier tot vijf cycli. Dat is interessant en consistent met de papertrend.

Het is nog geen zelfstandige bevestiging van dezelfde veeldeeltjesconclusie. Onze observable is het gemiddelde van 86 afstand-drie-ZZ-paren, de shotbudgetten zijn beperkt en een exact geconvergeerde cycle-16-referentie ontbreekt. Een onafhankelijke herhaling is daarom onderdeel van de validatie, niet een formaliteit.

De les van het toy model

De twee curves M en S leren ons de taal van de grote berekening: lokale orde kan lang zichtbaar blijven terwijl quantumcomplexiteit groeit. Maar het kleine systeem leert ook terughoudendheid. Een mooie oscillatie is op zichzelf geen bewijs van een prethermale fase, tijdkristal of quantumvoordeel.

In deel 5 voegen we ruis toe. Dan zien we hoe een exact bekende curve kan worden vervormd en waarom extrapolatie soms bijna perfect lijkt in een toy model.

Bronnen

  1. Exact toy-traject.
  2. E. Leviatan et al., finite-size- en oscillatieanalyse.
Vorig deel | Seriehub | Volgend deel

Recent Posts

  • Quantum computing-nieuws — 6 augustus 2026
  • Quantum computing-nieuws — 5 augustus 2026
  • Quantum computing-nieuws — 4 augustus 2026
  • Quantum computing-nieuws — 3 augustus 2026
  • Quantum computing-nieuws — 2 augustus 2026

Recent Comments

No comments to show.

Archives

  • August 2026
  • July 2026
  • May 2026
  • March 2026
  • February 2026
  • September 2024

Categories

  • 10
  • Quantum Computing
  • Uncategorized
©2026 Edukaizen | Theme by SuperbThemes