Edukaizen

Menu
  • Home
  • Hubbard 1D
    • Part 1: 1D Hubbard model
    • Part 2: Snake layout and fSWAP
    • Part 3: Qiskit and Fire Opal
    • Part 4: 120-qubit run
    • Part 5: Time-to-answer
    • Part 6: Tensor networks
    • Part 7: Majorana propagation
    • Part 8: Heatmaps
    • Part 9: 2D Hubbard outlook
  • Hubbard 2D
    • Part 1: 1D to 2D
    • Part 2: Cuprates
    • Part 3: 3×3
    • Part 4: Time
    • Part 5: 4×4
    • Part 6: 6×6 Fez
  • Hadron
    • Deel 1: Hadron op quantumprocessor
    • Deel 2: Quarks en confinement
    • Deel 3: SU(2) en LSH
    • Deel 4: Hamiltoniaan en circuit
    • Deel 5: Fire Opal
    • Deel 6: Klassieke simulaties
    • Deel 7: Quantumvoordeel
  • Black Hole OLE
    • Part 1: What we ran
    • Part 2: How OLE works
    • Part 3: Fire Opal and Kingston
    • Part 4: The tensor-network challenge
    • Part 5: Hawking and scrambling
    • Part 6: What the result proves
    • Part 7: Local toy model
      • ai toymodel
  • Random Graph
    • Part 1: Theory
    • Part 2: Circuit
    • Part 3: Qiskit
    • Part 4: Complexity
    • Part 5: Verification
    • Part 6: Workflow
    • Part 7: Conclusion
  • QOS QML
    • Nederlands
    • English
    • Beginnershandleiding 4q
  • Advantage List
Menu

Fermi-Hubbard op een quantumcomputer, deel 2: snake layout en fSWAP

Posted on July 2, 2026July 2, 2026 by
Nederlands | English | Project page | Previous | Next

Een Fermi-Hubbard Hamiltoniaan is nog geen quantumcircuit. Eerst moeten de fermionische modes naar qubits worden vertaald. Daarna moet het circuit op een echte chip worden gelegd. Bij fermionische simulatie is die layout geen detail. Zij is onderdeel van het algoritme.

De reden is het fermionische teken. Als twee bezette fermionische modes worden verwisseld, verschijnt er een minteken. Een gewone qubit-SWAP houdt daar geen rekening mee. Daarom gebruiken we een fermionische swap: de fSWAP.

Van sites naar qubits

Elke Hubbard-site heeft twee spinmodi: spin-up en spin-down. Een keten met 60 sites heeft dus 120 fermionische modes. In een Jordan-Wigner achtige mapping leg je die modes op een lijn en koppel je ze aan qubits.

Een handige ordering houdt de twee spinmodi van dezelfde site dicht bij elkaar

\[\{c_{0,\downarrow},c_{0,\uparrow},c_{1,\uparrow},c_{1,\downarrow},c_{2,\downarrow},c_{2,\uparrow},c_{3,\uparrow},c_{3,\downarrow},\ldots\}\rightarrow q_0,q_1,\ldots,q_{2L-1}\]

Dit is belangrijk omdat de onsite interactie lokaal is. Als spin-up en spin-down van dezelfde site ver uit elkaar liggen in de qubitlijn, betaal je met extra routing en langere strings.

De fSWAP gate

De fSWAP verwisselt twee fermionische modes en voegt het juiste teken toe

\[\mathrm{fSWAP}=\mathrm{SWAP}\cdot\mathrm{CZ}\]

Als matrix

\[\mathrm{fSWAP}=\left(\begin{array}{rrrr}1&0&0&0\\0&0&1&0\\0&1&0&0\\0&0&0&-1\end{array}\right)\]

De toestand |01> wordt |10>, en |10> wordt |01>, net als bij een gewone SWAP. Het verschil zit in |11>. Als beide modes bezet zijn, verschijnt een minteken. Dat minteken is precies de fermionische anticommutatie.

Routing wordt fysica

Bij veel quantumalgoritmen voelt routing als een compilerprobleem achteraf. Bij fermionische simulatie is dat te simpel. Een fSWAP-laag doet twee dingen tegelijk:

  • zij verplaatst modes zodat de volgende interactie lokaal wordt;
  • zij houdt de fermionische tekenstructuur correct.

Daarom kun je niet zomaar zeggen: laat de compiler swaps toevoegen. De swaps zijn hier niet alleen transport. Zij zijn onderdeel van de gesimuleerde fermionische algebra.

De snake door de chip

IBM processors hebben geen perfecte rechte lijn van 120 qubits. De connectiviteit is beperkt. De truc is om de effectieve fermionische lijn als een snake door de hardware te leggen.

Een goede snake layout probeert drie dingen tegelijk te doen

  • vaak gekoppelde modes fysiek dicht bij elkaar houden;
  • lange routing vermijden;
  • slechte qubits of slechte koppelingen vermijden wanneer kalibratiegegevens dat nodig maken.

Dit is waarom de Q-CTRL aanpak niet voelt als een generieke "druk op compile" workflow. De fysica, de mapping, de fSWAP-lagen, de hardwareconnectiviteit en de error suppression zijn samen ontworpen.

Waarom de diepte laag blijft

De resource-scaling uit de paper laat zien waarom deze constructie aantrekkelijk is:

\[D_{2Q}=5\,n_{\mathrm{step}}+2\qquad N_{2Q}=(5L-2)n_{\mathrm{step}}+2(L-1)-1\]

Voor de kleinere 60-qubit / 30-site / 8-step versie geeft dat

\[D_{2Q}=5\cdot 8+2=42\qquad N_{2Q}=(5\cdot 30-2)\cdot 8+2(30-1)-1=1241\]

De twee-qubit diepte groeit met het aantal Trotterstappen, maar niet direct met het aantal sites. Het aantal twee-qubit gates groeit wel met de ketenlengte, maar lineair. Dat is precies wat je wilt voor een grote 1D simulatie.

De kernles

De quantumcomputer wint hier niet door een willekeurig circuit sneller uit te voeren. De winst komt doordat de Fermi-Hubbard structuur zo wordt vertaald dat de hardware bijna de natuurlijke geometrie van het probleem uitvoert.

Dat maakt de benchmark subtieler, maar ook interessanter. Het voordeel zit in de combinatie van fysica, mapping, layout en hardware-uitvoering.

Bronnen en projectlinks

  • Q-CTRL Fermi-Hubbard paper: https://arxiv.org/abs/2605.04025
  • Projectrepo: https://github.com/BramDo/fermi-hubbard-60q-tdvp
Nederlands | English | Project page | Previous | Next

Recent Posts

  • Black Hole OLE, part 7: a local toy model with theory and user guide
  • Black Hole OLE, part 6: what the result proves and what comes next
  • Black Hole OLE, part 5: Hawking, black holes, and scrambling
  • Black Hole OLE, part 4: the tensor-network challenge
  • Black Hole OLE, part 3: Fire Opal on IBM Kingston

Recent Comments

No comments to show.

Archives

  • July 2026
  • May 2026
  • March 2026
  • February 2026
  • September 2024

Categories

  • 10
  • Quantum Computing
  • Uncategorized
©2026 Edukaizen | Theme by SuperbThemes